Alle vervoegingen van het werkwoord hebben

infinitivus - infinitiefinfinitive
hebben
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • heb
 
  • heb jij/je?
jij, je
  • hebt
u
  • heeft
  • hebt
hij
zij, ze
het
men
  • heeft
  • hebt
zij, ze
wij, we
jullie
  • hebben
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • had
zij, ze
wij, we
jullie
  • hadden
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • gehad
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • hebbend
vertalingenglish translation
  • to have
infinitivusinfinitief
infinitive
presenstegenwoordige tijd
present tense
imperfectumverleden tijd
past tense
participiumvoltooid deelwoord
past participle
vertalingengelse vertaling
english translation
aanhebben
  • heb aan
  • hebt aan
  • heeft aan
  • had aan
  • hadden aan
aangehad
    beethebben
    • heb beet
    • hebt beet
    • heeft beet
    • had beet
    • hadden beet
    beetgehad
      deelhebben
      • heb deel
      • hebt deel
      • heeft deel
      • had deel
      • hadden deel
      deelgehad
        doorhebben
        • heb door
        • hebt door
        • heeft door
        • had door
        • hadden door
        doorgehad
          liefhebben
          • heb lief
          • hebt lief
          • heeft lief
          • had lief
          • hadden lief
          liefgehad
            ophebben
            • heb op
            • hebt op
            • heeft op
            • had op
            • hadden op
            opgehad
              overhebben
              • heb over
              • hebt over
              • heeft over
              • had over
              • hadden over
              overgehad
                plaatshebben
                • heeft plaats
                • had plaats
                • hadden plaats
                plaatsgehad
                  vasthebben
                  • heb vast
                  • hebt vast
                  • heeft vast
                  • had vast
                  • hadden vast
                  vastgehad
                    voorhebben
                    • heb voor
                    • hebt voor
                    • heeft voor
                    • had voor
                    • hadden voor
                    voorgehad
                      bijhebben
                      • heb bij
                      • hebt bij
                      • heeft bij
                      • had bij
                      • hadden bij
                      bijgehad
                        tegenhebben
                        • heb tegen
                        • hebt tegen
                        • heeft tegen
                        • had tegen
                        • hadden tegen
                        tegengehad
                          omhebben
                          • heb om
                          • hebt om
                          • heeft om
                          • had om
                          • hadden om
                          omgehad
                            inhebben
                            • heb in
                            • hebt in
                            • heeft in
                            • had in
                            • hadden in
                            ingehad
                              meehebben
                              • heb mee
                              • hebt mee
                              • heeft mee
                              • had mee
                              • hadden mee
                              meegehad
                                terughebben
                                • heb terug
                                • hebt terug
                                • heeft terug
                                • had terug
                                • hadden terug
                                teruggehad