Alle vervoegingen van het werkwoord zien

infinitivus - infinitiefinfinitive
zien
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • zie
 
  • zie jij/je?
jij, je
  • ziet
u
  • ziet
hij
zij, ze
het
men
  • ziet
zij, ze
wij, we
jullie
  • zien
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • zag
zij, ze
wij, we
jullie
  • zagen
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • gezien
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • ziend
vertalingenglish translation
  • to see
infinitivusinfinitief
infinitive
presenstegenwoordige tijd
present tense
imperfectumverleden tijd
past tense
participiumvoltooid deelwoord
past participle
vertalingengelse vertaling
english translation
rondzien
  • zie rond
  • ziet rond
  • zag rond
  • zagen rond
rondgezien
    uitzien
    • zie uit
    • ziet uit
    • zag uit
    • zagen uit
    uitgezien
      aanzien
      • zie aan
      • ziet aan
      • zag aan
      • zagen aan
      aangezien
        achteromzien
        • zie achterom
        • ziet achterom
        • zag achterom
        • zagen achterom
        achteromgezien
          afzien
          • zie af
          • ziet af
          • zag af
          • zagen af
          afgezien
            doorzien
            • zie door
            • ziet door
            • zag door
            • zagen door
            doorgezien
              eruitzien
              • zie eruit
              • ziet eruit
              • zag eruit
              • zagen eruit
              eruitgezien
                inzien
                • zie in
                • ziet in
                • zag in
                • zagen in
                ingezien
                  nazien
                  • zie na
                  • ziet na
                  • zag na
                  • zagen na
                  nagezien
                    neerzien
                    • zie neer
                    • ziet neer
                    • zag neer
                    • zagen neer
                    neergezien
                      omzien
                      • zie om
                      • ziet om
                      • zag om
                      • zagen om
                      omgezien
                        opzien
                        • zie op
                        • ziet op
                        • zag op
                        • zagen op
                        opgezien
                          overzien
                          • zie over
                          • ziet over
                          • zag over
                          • zagen over
                          overgezien
                            scheelzien
                            • zie scheel
                            • ziet scheel
                            • zag scheel
                            • zagen scheel
                            scheelgezien
                              terugzien
                              • zie terug
                              • ziet terug
                              • zag terug
                              • zagen terug
                              teruggezien
                                toezien
                                • zie toe
                                • ziet toe
                                • zag toe
                                • zagen toe
                                toegezien
                                • to monitor
                                • to supervise
                                • to spectate
                                voorbijzien
                                • zie voorbij
                                • ziet voorbij
                                • zag voorbij
                                • zagen voorbij
                                voorbijgezien
                                  vooruitzien
                                  • zie vooruit
                                  • ziet vooruit
                                  • zag vooruit
                                  • zagen vooruit
                                  vooruitgezien
                                    wederzien
                                    • zie weder
                                    • ziet weder
                                    • zag weder
                                    • zagen weder
                                    wedergezien
                                      weerzien
                                      • zie weer
                                      • ziet weer
                                      • zag weer
                                      • zagen weer
                                      weergezien
                                        tegemoetzien
                                        • zie tegemoet
                                        • ziet tegemoet
                                        • zag tegemoet
                                        • zagen tegemoet
                                        tegemoetgezien
                                          miszien
                                          • zie mis
                                          • ziet mis
                                          • zag mis
                                          • zagen mis
                                          misgezien