Alle vervoegingen van het werkwoord zitten

infinitivus - infinitiefinfinitive
zitten
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • zit
 
  • zit jij/je?
jij, je
  • zit
u
  • zit
hij
zij, ze
het
men
  • zit
zij, ze
wij, we
jullie
  • zitten
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • zat
zij, ze
wij, we
jullie
  • zaten
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • gezeten
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • zittend
vertalingenglish translation
  • to sit
infinitivusinfinitief
infinitive
presenstegenwoordige tijd
present tense
imperfectumverleden tijd
past tense
participiumvoltooid deelwoord
past participle
vertalingengelse vertaling
english translation
omzitten
  • zit om
  • zat om
  • zaten om
omgezeten
    aanzitten
    • zit aan
    • zat aan
    • zaten aan
    aangezeten
      achternazitten
      • zit achterna
      • zat achterna
      • zaten achterna
      achternagezeten
        bijzitten
        • zit bij
        • zat bij
        • zaten bij
        bijgezeten
          dichtzitten
          • zit dicht
          • zat dicht
          • zaten dicht
          dichtgezeten
            doorzitten
            • zit door
            • zat door
            • zaten door
            doorgezeten
              dwarszitten
              • zit dwars
              • zat dwars
              • zaten dwars
              dwarsgezeten
                gevangenzitten
                • zit gevangen
                • zat gevangen
                • zaten gevangen
                gevangengezeten
                • to be in prison
                inzitten
                • zit in
                • zat in
                • zaten in
                ingezeten
                  loszitten
                  • zit los
                  • zat los
                  • zaten los
                  losgezeten
                    meezitten
                    • zit mee
                    • zat mee
                    • zaten mee
                    meegezeten
                      mooizitten
                      • zit mooi
                      • zat mooi
                      • zaten mooi
                      mooigezeten
                        nazitten
                        • zit na
                        • zat na
                        • zaten na
                        nagezeten
                          neerzitten
                          • zit neer
                          • zat neer
                          • zaten neer
                          neergezeten
                            omhoogzitten
                            • zit omhoog
                            • zat omhoog
                            • zaten omhoog
                            omhooggezeten
                              opzitten
                              • zit op
                              • zat op
                              • zaten op
                              opgezeten
                                overzitten
                                • zit over
                                • zat over
                                • zaten over
                                overgezeten
                                  rechtzitten
                                  • zit recht
                                  • zat recht
                                  • zaten recht
                                  rechtgezeten
                                    stilzitten
                                    • zit stil
                                    • zat stil
                                    • zaten stil
                                    stilgezeten
                                      tegenzitten
                                      • zit tegen
                                      • zat tegen
                                      • zaten tegen
                                      tegengezeten
                                        thuiszitten
                                        • zit thuis
                                        • zat thuis
                                        • zaten thuis
                                        thuisgezeten
                                          uitzitten
                                          • zit uit
                                          • zat uit
                                          • zaten uit
                                          uitgezeten
                                            vastzitten
                                            • zit vast
                                            • zat vast
                                            • zaten vast
                                            vastgezeten
                                              voorzitten
                                              • zit voor
                                              • zat voor
                                              • zaten voor
                                              voorgezeten
                                                klaarzitten
                                                • zit klaar
                                                • zat klaar
                                                • zaten klaar
                                                klaargezeten
                                                  ineenzitten
                                                  • zit ineen
                                                  • zat ineen
                                                  • zaten ineen
                                                  ineengezeten
                                                    afzitten
                                                    • zit af
                                                    • zat af
                                                    • zaten af
                                                    afgezeten
                                                      samenzitten
                                                      • zit samen
                                                      • zat samen
                                                      • zaten samen
                                                      samengezeten