Alle vervoegingen van het werkwoord afzitten

infinitivus - infinitief infinitive
afzitten
Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • zit af
 
  • zit af jij/je?
jij, je
  • zit af
u
  • zit af
hij
zij, ze
het
men
  • zit af
zij, ze
wij, we
jullie
  • zitten af
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgorde present tense
dat ik
  • afzit
dat jij, je
  • afzit
dat u
  • afzit
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • afzit
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • afzitten
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • zat af
zij, ze
wij, we
jullie
  • zaten af
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgorde past tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • afzat
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • afzaten
participium - voltooid deelwoord past participle
  • afgezeten
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • afzittend