Alle vervoegingen van het werkwoord jagen

infinitivus - infinitiefinfinitive
jagen
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • jaag
 
  • jaag jij/je?
jij, je
  • jaagt
u
  • jaagt
hij
zij, ze
het
men
  • jaagt
zij, ze
wij, we
jullie
  • jagen
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • joeg
  • jaagde
zij, ze
wij, we
jullie
  • joegen
  • jaagden
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • gejaagd
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • jagend
vertalingenglish translation
  • to hunt
infinitivusinfinitief
infinitive
presenstegenwoordige tijd
present tense
imperfectumverleden tijd
past tense
participiumvoltooid deelwoord
past participle
vertalingengelse vertaling
english translation
opjagen
  • jaag op
  • jaagt op
  • joeg op
  • joegen op
opgejaagd
    aanjagen
    • jaag aan
    • jaagt aan
    • joeg aan
    • joegen aan
    aangejaagd
      najagen
      • jaag na
      • jaagt na
      • joeg na
      • joegen na
      nagejaagd
        overjagen
        • jaag over
        • jaagt over
        • joeg over
        • joegen over
        overgejaagd
          terugjagen
          • jaag terug
          • jaagt terug
          • joeg terug
          • joegen terug
          teruggejaagd
            uiteenjagen
            • jaag uiteen
            • jaagt uiteen
            • joeg uiteen
            • joegen uiteen
            uiteengejaagd
              voortjagen
              • jaag voort
              • jaagt voort
              • joeg voort
              • joegen voort
              voortgejaagd
                wegjagen
                • jaag weg
                • jaagt weg
                • joeg weg
                • joegen weg
                weggejaagd
                • to chase away
                doorjagen
                • jaag door
                • jaagt door
                • joeg door
                • joegen door
                doorgejaagd
                  afjagen
                  • jaag af
                  • jaagt af
                  • joeg af
                  • joegen af
                  afgejaagd