Alle vervoegingen van het werkwoord krijgen

infinitivus - infinitiefinfinitive
krijgen
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • krijg
 
  • krijg jij/je?
jij, je
  • krijgt
u
  • krijgt
hij
zij, ze
het
men
  • krijgt
zij, ze
wij, we
jullie
  • krijgen
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • kreeg
zij, ze
wij, we
jullie
  • kregen
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • gekregen
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • krijgend
vertalingenglish translation
  • to get
  • to receive
infinitivusinfinitief
infinitive
presenstegenwoordige tijd
present tense
imperfectumverleden tijd
past tense
participiumvoltooid deelwoord
past participle
vertalingengelse vertaling
english translation
aankrijgen
  • krijg aan
  • krijgt aan
  • kreeg aan
  • kregen aan
aangekregen
    afkrijgen
    • krijg af
    • krijgt af
    • kreeg af
    • kregen af
    afgekregen
      beetkrijgen
      • krijg beet
      • krijgt beet
      • kreeg beet
      • kregen beet
      beetgekregen
        binnenkrijgen
        • krijg binnen
        • krijgt binnen
        • kreeg binnen
        • kregen binnen
        binnengekregen
          doorkrijgen
          • krijg door
          • krijgt door
          • kreeg door
          • kregen door
          doorgekregen
            inkrijgen
            • krijg in
            • krijgt in
            • kreeg in
            • kregen in
            ingekregen
              klaarkrijgen
              • krijg klaar
              • krijgt klaar
              • kreeg klaar
              • kregen klaar
              klaargekregen
                kleinkrijgen
                • krijg klein
                • krijgt klein
                • kreeg klein
                • kregen klein
                kleingekregen
                  loskrijgen
                  • krijg los
                  • krijgt los
                  • kreeg los
                  • kregen los
                  losgekregen
                    meekrijgen
                    • krijg mee
                    • krijgt mee
                    • kreeg mee
                    • kregen mee
                    meegekregen
                      overkrijgen
                      • krijg over
                      • krijgt over
                      • kreeg over
                      • kregen over
                      overgekregen
                        terugkrijgen
                        • krijg terug
                        • krijgt terug
                        • kreeg terug
                        • kregen terug
                        teruggekregen
                          thuiskrijgen
                          • krijg thuis
                          • krijgt thuis
                          • kreeg thuis
                          • kregen thuis
                          thuisgekregen
                            uitkrijgen
                            • krijg uit
                            • krijgt uit
                            • kreeg uit
                            • kregen uit
                            uitgekregen
                              weerkrijgen
                              • krijg weer
                              • krijgt weer
                              • kreeg weer
                              • kregen weer
                              weergekregen
                                opkrijgen
                                • krijg op
                                • krijgt op
                                • kreeg op
                                • kregen op
                                opgekregen
                                  vastkrijgen
                                  • krijg vast
                                  • krijgt vast
                                  • kreeg vast
                                  • kregen vast
                                  vastgekregen
                                    bijkrijgen
                                    • krijg bij
                                    • krijgt bij
                                    • kreeg bij
                                    • kregen bij
                                    bijgekregen
                                      rondkrijgen
                                      • krijg rond
                                      • krijgt rond
                                      • kreeg rond
                                      • kregen rond
                                      rondgekregen
                                        openkrijgen
                                        • krijg open
                                        • krijgt open
                                        • kreeg open
                                        • kregen open
                                        opengekregen