Alle vervoegingen van het werkwoord zenden

infinitivus - infinitief infinitive
zenden
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • zend
 
  • zend jij/je?
jij, je
  • zendt
u
  • zendt
hij
zij, ze
het
men
  • zendt
zij, ze
wij, we
jullie
  • zenden
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • zond
zij, ze
wij, we
jullie
  • zonden
participium - voltooid deelwoord past participle
  • gezonden
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • zendend
vertaling english translation
  • to send
infinitivus infinitief
infinitive
presens tegenwoordige tijd
present tense
imperfectum verleden tijd
past tense
participium voltooid deelwoord
past participle
vertaling engelse vertaling
english translation
achternazenden
  • zend achterna
  • zendt achterna
  • zond achterna
  • zonden achterna
achternagezonden
afzenden
  • zend af
  • zendt af
  • zond af
  • zonden af
afgezonden
doorzenden
  • zend door
  • zendt door
  • zond door
  • zonden door
doorgezonden
  • to forward
heenzenden
  • zend heen
  • zendt heen
  • zond heen
  • zonden heen
heengezonden
inzenden
  • zend in
  • zendt in
  • zond in
  • zonden in
ingezonden
meezenden
  • zend mee
  • zendt mee
  • zond mee
  • zonden mee
meegezonden
nazenden
  • zend na
  • zendt na
  • zond na
  • zonden na
nagezonden
opzenden
  • zend op
  • zendt op
  • zond op
  • zonden op
opgezonden
overzenden
  • zend over
  • zendt over
  • zond over
  • zonden over
overgezonden
rondzenden
  • zend rond
  • zendt rond
  • zond rond
  • zonden rond
rondgezonden
terugzenden
  • zend terug
  • zendt terug
  • zond terug
  • zonden terug
teruggezonden
toezenden
  • zend toe
  • zendt toe
  • zond toe
  • zonden toe
toegezonden
uitzenden
  • zend uit
  • zendt uit
  • zond uit
  • zonden uit
uitgezonden
wegzenden
  • zend weg
  • zendt weg
  • zond weg
  • zonden weg
weggezonden