Alle vervoegingen van het werkwoord doen

infinitivus - infinitief infinitive
doen
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • doe
 
  • doe jij/je?
jij, je
  • doet
u
  • doet
hij
zij, ze
het
men
  • doet
zij, ze
wij, we
jullie
  • doen
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • deed
zij, ze
wij, we
jullie
  • deden
participium - voltooid deelwoord past participle
  • gedaan
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • doend
vertaling english translation
  • to do
infinitivus infinitief
infinitive
presens tegenwoordige tijd
present tense
imperfectum verleden tijd
past tense
participium voltooid deelwoord
past participle
vertaling engelse vertaling
english translation
wegdoen
  • doe weg
  • doet weg
  • deed weg
  • deden weg
weggedaan
  • to get rid of
nadoen
  • doe na
  • doet na
  • deed na
  • deden na
nagedaan
  • to imitate
  • to mimic
voortdoen
  • doe voort
  • doet voort
  • deed voort
  • deden voort
voortgedaan
aandoen
  • doe aan
  • doet aan
  • deed aan
  • deden aan
aangedaan
afdoen
  • doe af
  • doet af
  • deed af
  • deden af
afgedaan
dichtdoen
  • doe dicht
  • doet dicht
  • deed dicht
  • deden dicht
dichtgedaan
  • to close
  • to shut
dienstdoen
  • doe dienst
  • doet dienst
  • deed dienst
  • deden dienst
dienstgedaan
  • to be on duty
dooddoen
  • doe dood
  • doet dood
  • deed dood
  • deden dood
doodgedaan
goeddoen
  • doe goed
  • doet goed
  • deed goed
  • deden goed
goedgedaan
meedoen
  • doe mee
  • doet mee
  • deed mee
  • deden mee
meegedaan
  • to participate
omdoen
  • doe om
  • doet om
  • deed om
  • deden om
omgedaan
onderdoen
  • doe onder
  • doet onder
  • deed onder
  • deden onder
ondergedaan
opdoen
  • doe op
  • doet op
  • deed op
  • deden op
opgedaan
opendoen
  • doe open
  • doet open
  • deed open
  • deden open
opengedaan
overdoen
  • doe over
  • doet over
  • deed over
  • deden over
overgedaan
samendoen
  • doe samen
  • doet samen
  • deed samen
  • deden samen
samengedaan
  • to do together
tekortdoen
  • doe tekort
  • doet tekort
  • deed tekort
  • deden tekort
tekortgedaan
tenietdoen
  • doe teniet
  • doet teniet
  • deed teniet
  • deden teniet
tenietgedaan
terugdoen
  • doe terug
  • doet terug
  • deed terug
  • deden terug
teruggedaan
toedoen
  • doe toe
  • doet toe
  • deed toe
  • deden toe
toegedaan
uitdoen
  • doe uit
  • doet uit
  • deed uit
  • deden uit
uitgedaan
uiteendoen
  • doe uiteen
  • doet uiteen
  • deed uiteen
  • deden uiteen
uiteengedaan
voordoen
  • doe voor
  • doet voor
  • deed voor
  • deden voor
voorgedaan
weldoen
  • doe wel
  • doet wel
  • deed wel
  • deden wel
welgedaan
zakendoen
  • doe zaken
  • doet zaken
  • deed zaken
  • deden zaken
zakengedaan
  • to do business
achternadoen
  • doe achterna
  • doet achterna
  • deed achterna
  • deden achterna
achternagedaan
doordoen
  • doe door
  • doet door
  • deed door
  • deden door
doorgedaan
opzijdoen
  • doe opzij
  • doet opzij
  • deed opzij
  • deden opzij
opzijgedaan
omhoogdoen
  • doe omhoog
  • doet omhoog
  • deed omhoog
  • deden omhoog
omhooggedaan
binnendoen
  • doe binnen
  • doet binnen
  • deed binnen
  • deden binnen
binnengedaan
verderdoen
  • doe verder
  • doet verder
  • deed verder
  • deden verder
verdergedaan
misdoen
  • misdoe
  • misdoet
  • misdeed
  • misdeden
misdaan
  • to offend
voldoen
  • voldoe
  • voldoet
  • voldeed
  • voldeden
voldaan
  • to suffice
  • to statisfy