Alle vervoegingen van het werkwoord blijven

infinitivus - infinitief infinitive
blijven
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • blijf
 
  • blijf jij/je?
jij, je
  • blijft
u
  • blijft
hij
zij, ze
het
men
  • blijft
zij, ze
wij, we
jullie
  • blijven
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • bleef
zij, ze
wij, we
jullie
  • bleven
participium - voltooid deelwoord past participle
  • gebleven
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • blijvend
vertaling english translation
  • to stay
  • to remain
infinitivus infinitief
infinitive
presens tegenwoordige tijd
present tense
imperfectum verleden tijd
past tense
participium voltooid deelwoord
past participle
vertaling engelse vertaling
english translation
aanblijven
  • blijf aan
  • blijft aan
  • bleef aan
  • bleven aan
aangebleven
achterblijven
  • blijf achter
  • blijft achter
  • bleef achter
  • bleven achter
achtergebleven
  • to stay behind
afblijven
  • blijf af
  • blijft af
  • bleef af
  • bleven af
afgebleven
  • to keep off
bijblijven
  • blijf bij
  • blijft bij
  • bleef bij
  • bleven bij
bijgebleven
  • to keep up with
binnenblijven
  • blijf binnen
  • blijft binnen
  • bleef binnen
  • bleven binnen
binnengebleven
  • to stay inside
  • to stay indoors
bovenblijven
  • blijf boven
  • blijft boven
  • bleef boven
  • bleven boven
bovengebleven
doodblijven
  • blijf dood
  • blijft dood
  • bleef dood
  • bleven dood
doodgebleven
nablijven
  • blijf na
  • blijft na
  • bleef na
  • bleven na
nagebleven
openblijven
  • blijf open
  • blijft open
  • bleef open
  • bleven open
opengebleven
opblijven
  • blijf op
  • blijft op
  • bleef op
  • bleven op
opgebleven
  • to stay up
  • to stay awake
overblijven
  • blijf over
  • blijft over
  • bleef over
  • bleven over
overgebleven
samenblijven
  • blijf samen
  • blijft samen
  • bleef samen
  • bleven samen
samengebleven
schoolblijven
  • blijf school
  • blijft school
  • bleef school
  • bleven school
schoolgebleven
thuisblijven
  • blijf thuis
  • blijft thuis
  • bleef thuis
  • bleven thuis
thuisgebleven
  • to stay home
uitblijven
  • blijf uit
  • blijft uit
  • bleef uit
  • bleven uit
uitgebleven
voorblijven
  • blijf voor
  • blijft voor
  • bleef voor
  • bleven voor
voorgebleven
wegblijven
  • blijf weg
  • blijft weg
  • bleef weg
  • bleven weg
weggebleven
  • to stay away
inblijven
  • blijf in
  • blijft in
  • bleef in
  • bleven in
ingebleven