Alle vervoegingen van het werkwoord bijten

infinitivus - infinitiefinfinitive
bijten
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • bijt
 
  • bijt jij/je?
jij, je
  • bijt
u
  • bijt
hij
zij, ze
het
men
  • bijt
zij, ze
wij, we
jullie
  • bijten
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • beet
zij, ze
wij, we
jullie
  • beten
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • gebeten
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • bijtend
vertalingenglish translation
  • to bite
infinitivusinfinitief
infinitive
presenstegenwoordige tijd
present tense
imperfectumverleden tijd
past tense
participiumvoltooid deelwoord
past participle
vertalingengelse vertaling
english translation
aanbijten
  • bijt aan
  • beet aan
  • beten aan
aangebeten
    afbijten
    • bijt af
    • beet af
    • beten af
    afgebeten
      doodbijten
      • bijt dood
      • beet dood
      • beten dood
      doodgebeten
        doorbijten
        • bijt door
        • beet door
        • beten door
        doorgebeten
          inbijten
          • bijt in
          • beet in
          • beten in
          ingebeten
            kapotbijten
            • bijt kapot
            • beet kapot
            • beten kapot
            kapotgebeten
              stukbijten
              • bijt stuk
              • beet stuk
              • beten stuk
              stukgebeten
                toebijten
                • bijt toe
                • beet toe
                • beten toe
                toegebeten
                  uitbijten
                  • bijt uit
                  • beet uit
                  • beten uit
                  uitgebeten
                    vastbijten
                    • bijt vast
                    • beet vast
                    • beten vast
                    vastgebeten