Alle vervoegingen van het werkwoord afbijten

infinitivus - infinitiefinfinitive
afbijten
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • bijt af
 
  • bijt af jij/je?
jij, je
  • bijt af
u
  • bijt af
hij
zij, ze
het
men
  • bijt af
zij, ze
wij, we
jullie
  • bijten af
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgordepresent tense
dat ik
  • afbijt
dat jij, je
  • afbijt
dat u
  • afbijt
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • afbijt
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • afbijten
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • beet af
zij, ze
wij, we
jullie
  • beten af
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgordepast tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • afbeet
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • afbeten
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • afgebeten
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • afbijtend