Alle vervoegingen van het werkwoord scheiden

infinitivus - infinitiefinfinitive
scheiden
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • scheid
 
  • scheid jij/je?
jij, je
  • scheidt
u
  • scheidt
hij
zij, ze
het
men
  • scheidt
zij, ze
wij, we
jullie
  • scheiden
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • scheidde
zij, ze
wij, we
jullie
  • scheidden
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • gescheiden
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • scheidend
vertalingenglish translation
  • to separate
  • to divorce
  • to space out
infinitivusinfinitief
infinitive
presenstegenwoordige tijd
present tense
imperfectumverleden tijd
past tense
participiumvoltooid deelwoord
past participle
vertalingengelse vertaling
english translation
afscheiden
  • scheid af
  • scheidt af
  • scheidde af
  • scheidden af
afgescheiden
    uitscheiden
    • schei uit
    • scheid uit
    • scheidt uit
    • scheed uit
    • scheden uit
    uitgescheden
      uitscheiden
      • scheid uit
      • scheidt uit
      • scheidde uit
      • scheidden uit
      uitgescheiden
        toescheiden
        • scheid toe
        • scheidt toe
        • scheidde toe
        • scheidden toe
        toegescheiden