Alle vervoegingen van het werkwoord lezen

infinitivus - infinitiefinfinitive
lezen
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • lees
 
  • lees jij/je?
jij, je
  • leest
u
  • leest
hij
zij, ze
het
men
  • leest
zij, ze
wij, we
jullie
  • lezen
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • las
zij, ze
wij, we
jullie
  • lazen
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • gelezen
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • lezend
vertalingenglish translation
  • to read
infinitivusinfinitief
infinitive
presenstegenwoordige tijd
present tense
imperfectumverleden tijd
past tense
participiumvoltooid deelwoord
past participle
vertalingengelse vertaling
english translation
oplezen
  • lees op
  • leest op
  • las op
  • lazen op
opgelezen
    aflezen
    • lees af
    • leest af
    • las af
    • lazen af
    afgelezen
      doorlezen
      • lees door
      • leest door
      • las door
      • lazen door
      doorgelezen
        inlezen
        • lees in
        • leest in
        • las in
        • lazen in
        ingelezen
          meelezen
          • lees mee
          • leest mee
          • las mee
          • lazen mee
          meegelezen
            nalezen
            • lees na
            • leest na
            • las na
            • lazen na
            nagelezen
              overlezen
              • lees over
              • leest over
              • las over
              • lazen over
              overgelezen
                stuklezen
                • lees stuk
                • leest stuk
                • las stuk
                • lazen stuk
                stukgelezen
                  teruglezen
                  • lees terug
                  • leest terug
                  • las terug
                  • lazen terug
                  teruggelezen
                    uitlezen
                    • lees uit
                    • leest uit
                    • las uit
                    • lazen uit
                    uitgelezen
                      voorlezen
                      • lees voor
                      • leest voor
                      • las voor
                      • lazen voor
                      voorgelezen
                        samenlezen
                        • lees samen
                        • leest samen
                        • las samen
                        • lazen samen
                        samengelezen
                          tegenlezen
                          • lees tegen
                          • leest tegen
                          • las tegen
                          • lazen tegen
                          tegengelezen
                            weglezen
                            • lees weg
                            • leest weg
                            • las weg
                            • lazen weg
                            weggelezen
                              mislezen
                              • mislees
                              • misleest
                              • mislas
                              • mislazen
                              mislezen
                              • to misread