Alle vervoegingen van het werkwoord aflezen

infinitivus - infinitiefinfinitive
aflezen
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • lees af
 
  • lees af jij/je?
jij, je
  • leest af
u
  • leest af
hij
zij, ze
het
men
  • leest af
zij, ze
wij, we
jullie
  • lezen af
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgordepresent tense
dat ik
  • aflees
dat jij, je
  • afleest
dat u
  • afleest
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • afleest
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • aflezen
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • las af
zij, ze
wij, we
jullie
  • lazen af
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgordepast tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • aflas
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • aflazen
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • afgelezen
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • aflezend