Alle vervoegingen van het werkwoord zuipen

infinitivus - infinitief infinitive
zuipen
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • zuip
 
  • zuip jij/je?
jij, je
  • zuipt
u
  • zuipt
hij
zij, ze
het
men
  • zuipt
zij, ze
wij, we
jullie
  • zuipen
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • zoop
zij, ze
wij, we
jullie
  • zopen
participium - voltooid deelwoord past participle
  • gezopen
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • zuipend
vertaling english translation
  • to drink (a lot)
infinitivus infinitief
infinitive
presens tegenwoordige tijd
present tense
imperfectum verleden tijd
past tense
participium voltooid deelwoord
past participle
vertaling engelse vertaling
english translation
doorzuipen
  • zuip door
  • zuipt door
  • zoop door
  • zopen door
doorgezopen
opzuipen
  • zuip op
  • zuipt op
  • zoop op
  • zopen op
opgezopen