Alle vervoegingen van het werkwoord wassen

infinitivus - infinitief infinitive
wassen
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • was
 
  • was jij/je?
jij, je
  • wast
u
  • wast
hij
zij, ze
het
men
  • wast
zij, ze
wij, we
jullie
  • wassen
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • waste
zij, ze
wij, we
jullie
  • wasten
participium - voltooid deelwoord past participle
  • gewassen
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • wassend
vertaling english translation
  • to wash
infinitivus infinitief
infinitive
presens tegenwoordige tijd
present tense
imperfectum verleden tijd
past tense
participium voltooid deelwoord
past participle
vertaling engelse vertaling
english translation
afwassen
  • was af
  • wast af
  • waste af
  • wasten af
afgewassen
  • to wash the dishes
inwassen
  • was in
  • wast in
  • waste in
  • wasten in
ingewassen
omwassen
  • was om
  • wast om
  • waste om
  • wasten om
omgewassen
schoonwassen
  • was schoon
  • wast schoon
  • waste schoon
  • wasten schoon
schoongewassen
uitwassen
  • was uit
  • wast uit
  • waste uit
  • wasten uit
uitgewassen
wegwassen
  • was weg
  • wast weg
  • waste weg
  • wasten weg
weggewassen
witwassen
  • was wit
  • wast wit
  • waste wit
  • wasten wit
witgewassen
opwassen
  • was op
  • wast op
  • waste op
  • wasten op
opgewassen