Alle vervoegingen van het werkwoord ontspringen

infinitivus - infinitief infinitive
ontspringen
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • ontspring
 
  • ontspring jij/je?
jij, je
  • ontspringt
u
  • ontspringt
hij
zij, ze
het
men
  • ontspringt
zij, ze
wij, we
jullie
  • ontspringen
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • ontsprong
zij, ze
wij, we
jullie
  • ontsprongen
participium - voltooid deelwoord past participle
  • ontsprongen
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • ontspringend
vertaling english translation
  • to spring
  • to originate from