Alle vervoegingen van het werkwoord zieden

infinitivus - infinitief infinitive
zieden
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • zied
 
  • zied jij/je?
jij, je
  • ziedt
u
  • ziedt
hij
zij, ze
het
men
  • ziedt
zij, ze
wij, we
jullie
  • zieden
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • zood
  • ziedde
zij, ze
wij, we
jullie
  • zoden
  • ziedden
participium - voltooid deelwoord past participle
  • gezoden
  • gezied
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • ziedend
vertaling english translation
  • to boil
  • to seethe