Verleden tijd van het werkwoord uiteenlopen

infinitivus - infinitief infinitive
uiteenlopen
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • liep uiteen
zij, ze
wij, we
jullie
  • liepen uiteen
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgorde past tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • uiteenliep
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • uiteenliepen