Alle vervoegingen van het werkwoord terugschrikken

infinitivus - infinitief infinitive
terugschrikken
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • schrik terug
 
  • schrik terug jij/je?
jij, je
  • schrikt terug
u
  • schrikt terug
hij
zij, ze
het
men
  • schrikt terug
zij, ze
wij, we
jullie
  • schrikken terug
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgorde present tense
dat ik
  • terugschrik
dat jij, je
  • terugschrikt
dat u
  • terugschrikt
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • terugschrikt
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • terugschrikken
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • schrok terug
  • schrikte terug
zij, ze
wij, we
jullie
  • schrokken terug
  • schrikten terug
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgorde past tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • terugschrok
  • terugschrikte
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • terugschrokken
  • terugschrikten
participium - voltooid deelwoord past participle
  • teruggeschrokken
  • teruggeschrikt
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • terugschrikkend