Alle vervoegingen van het werkwoord straktrekken

infinitivus - infinitief infinitive
straktrekken
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • trek strak
 
  • trek strak jij/je?
jij, je
  • trekt strak
u
  • trekt strak
hij
zij, ze
het
men
  • trekt strak
zij, ze
wij, we
jullie
  • trekken strak
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgorde present tense
dat ik
  • straktrek
dat jij, je
  • straktrekt
dat u
  • straktrekt
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • straktrekt
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • straktrekken
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • trok strak
zij, ze
wij, we
jullie
  • trokken strak
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgorde past tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • straktrok
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • straktrokken
participium - voltooid deelwoord past participle
  • strakgetrokken
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • straktrekkend