Alle vervoegingen van het werkwoord ophangen

infinitivus - infinitiefinfinitive
ophangen
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • hang op
 
  • hang op jij/je?
jij, je
  • hangt op
u
  • hangt op
hij
zij, ze
het
men
  • hangt op
zij, ze
wij, we
jullie
  • hangen op
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgordepresent tense
dat ik
  • ophang
dat jij, je
  • ophangt
dat u
  • ophangt
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • ophangt
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • ophangen
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • hing op
zij, ze
wij, we
jullie
  • hingen op
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgordepast tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • ophing
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • ophingen
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • opgehangen
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • ophangend