Tegenwoordige tijd van het werkwoord inzingen

infinitivus - infinitief infinitive
inzingen
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • zing in
 
  • zing in jij/je?
jij, je
  • zingt in
u
  • zingt in
hij
zij, ze
het
men
  • zingt in
zij, ze
wij, we
jullie
  • zingen in
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgorde present tense
dat ik
  • inzing
dat jij, je
  • inzingt
dat u
  • inzingt
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • inzingt
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • inzingen