Alle vervoegingen van het werkwoord dubbelslaan

infinitivus - infinitief infinitive
dubbelslaan
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • sla dubbel
 
  • sla dubbel jij/je?
jij, je
  • slaat dubbel
u
  • slaat dubbel
hij
zij, ze
het
men
  • slaat dubbel
zij, ze
wij, we
jullie
  • slaan dubbel
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgorde present tense
dat ik
  • dubbelsla
dat jij, je
  • dubbelslaat
dat u
  • dubbelslaat
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • dubbelslaat
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • dubbelslaan
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • sloeg dubbel
zij, ze
wij, we
jullie
  • sloegen dubbel
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgorde past tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • dubbelsloeg
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • dubbelsloegen
participium - voltooid deelwoord past participle
  • dubbelgeslagen
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • dubbelslaand