Tegenwoordige tijd van het werkwoord bevallen

infinitivus - infinitief infinitive
bevallen
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • beval
 
  • beval jij/je?
jij, je
  • bevalt
u
  • bevalt
hij
zij, ze
het
men
  • bevalt
zij, ze
wij, we
jullie
  • bevallen