Alle vervoegingen van het werkwoord afsluiten

infinitivus - infinitiefinfinitive
afsluiten
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • sluit af
 
  • sluit af jij/je?
jij, je
  • sluit af
u
  • sluit af
hij
zij, ze
het
men
  • sluit af
zij, ze
wij, we
jullie
  • sluiten af
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgordepresent tense
dat ik
  • afsluit
dat jij, je
  • afsluit
dat u
  • afsluit
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • afsluit
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • afsluiten
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • sloot af
zij, ze
wij, we
jullie
  • sloten af
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgordepast tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • afsloot
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • afsloten
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • afgesloten
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • afsluitend