Alle vervoegingen van het werkwoord afroepen

infinitivus - infinitiefinfinitive
afroepen
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • roep af
 
  • roep af jij/je?
jij, je
  • roept af
u
  • roept af
hij
zij, ze
het
men
  • roept af
zij, ze
wij, we
jullie
  • roepen af
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgordepresent tense
dat ik
  • afroep
dat jij, je
  • afroept
dat u
  • afroept
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • afroept
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • afroepen
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • riep af
zij, ze
wij, we
jullie
  • riepen af
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgordepast tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • afriep
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • afriepen
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • afgeroepen
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • afroepend