Alle vervoegingen van het werkwoord aanvaren

infinitivus - infinitief infinitive
aanvaren
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • vaar aan
 
  • vaar aan jij/je?
jij, je
  • vaart aan
u
  • vaart aan
hij
zij, ze
het
men
  • vaart aan
zij, ze
wij, we
jullie
  • varen aan
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgorde present tense
dat ik
  • aanvaar
dat jij, je
  • aanvaart
dat u
  • aanvaart
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • aanvaart
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • aanvaren
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • voer aan
zij, ze
wij, we
jullie
  • voeren aan
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgorde past tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • aanvoer
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • aanvoeren
participium - voltooid deelwoord past participle
  • aangevaren
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • aanvarend
vertaling english translation
  • to collide with