Alle vervoegingen van het werkwoord aanschieten

infinitivus - infinitief infinitive
aanschieten
presens - tegenwoordige tijd present tense
ik
  • schiet aan
 
  • schiet aan jij/je?
jij, je
  • schiet aan
u
  • schiet aan
hij
zij, ze
het
men
  • schiet aan
zij, ze
wij, we
jullie
  • schieten aan
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgorde present tense
dat ik
  • aanschiet
dat jij, je
  • aanschiet
dat u
  • aanschiet
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • aanschiet
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • aanschieten
imperfectum - verleden tijd past tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • schoot aan
zij, ze
wij, we
jullie
  • schoten aan
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgorde past tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • aanschoot
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • aanschoten
participium - voltooid deelwoord past participle
  • aangeschoten
participium praesentis - onvoltooid deelwoord present participle
  • aanschietend