Alle vervoegingen van het werkwoord aanbreken

infinitivus - infinitiefinfinitive
aanbreken
Bol.com Outlet
Bol.com Algemeen
presens - tegenwoordige tijdpresent tense
ik
  • breek aan
 
  • breek aan jij/je?
jij, je
  • breekt aan
u
  • breekt aan
hij
zij, ze
het
men
  • breekt aan
zij, ze
wij, we
jullie
  • breken aan
presens - tegenwoordige tijd - bijzinvolgordepresent tense
dat ik
  • aanbreek
dat jij, je
  • aanbreekt
dat u
  • aanbreekt
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • aanbreekt
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • aanbreken
imperfectum - verleden tijdpast tense
ik
jij, je
u
hij
zij, ze
het
men
  • brak aan
zij, ze
wij, we
jullie
  • braken aan
imperfectum - verleden tijd - bijzinvolgordepast tense
dat ik
dat jij, je
dat u
dat hij
dat zij, ze
dat het
dat men
  • aanbrak
dat zij, ze
dat wij, we
dat jullie
  • aanbraken
participium - voltooid deelwoordpast participle
  • aangebroken
participium praesentis - onvoltooid deelwoordpresent participle
  • aanbrekend
vertalingenglish translation
  • to commence
  • to begin